Wegen & meten: do’s en dont’s

Er zijn veel manieren om te wegen en te meten. De weegschaal is daar maar een van. En toch blijven we ons zo vaak en veel focussen op dat ene getal. Zo erg zelfs, dat ik vaak in mijn praktijk hoor dat de motivatie verdwijnt als de weegschaal plots een kilo meer aan duidt na een avondje uit eten. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Enkele tips!

De weegschaal? Niet altijd je beste vriend

De weegschaal kan een handige tool zijn om je gewicht op peil te houden. Toch is dit instrument niet zo betrouwbaar. Je ziet alleen maar je totale gewicht, maar wat je niet ziet, is bijvoorbeeld je vochtbalans. Die fluctueert heel sterk: heb je veel zout gegeten? Heb je je maandstonden? Heb je last van andere hormonale schommelingen? Hoeveel heb je gedronken? Heb je zwaar getraind? Allemaal factoren die invloed hebben op dat getal op de weegschaal.

Vaak is het verschil tussen ochtend en avond al meer dan een kilogram.De weegschaal kan ontmoedigend werken: je wegen is en blijft een momentopname. Als die eens wat minder mooi nieuws geeft, raken mensen zo ontmoedigd, dat ze soms de brui geven.

 

Hoe zit het met mijn BMI?

Een courante manier om te weten of je overgewicht hebt of niet: je BMI (Body Mass Index). Je berekent die door je lichaamsgewicht in kg te delen door het kwadraat van je lichaamslengte in meters. Ligt het getal dat je uitkomt tussen 18,5 en 25, dan hoef je je geen zorgen te maken. Het berekenen van je BMI is echter niet de ideale manier om een gezond gewicht te berekenen, omdat het getal dat je uitkomt niet altijd alles vertelt. Een strakke, fitte sporter kan bijvoorbeeld, dankzij zijn zware spieren een hogere BMI hebben dan iemand met minder spiermassa en meer vetmassa.

Waar het vet zich bevindt is het belangrijkste!

Een appelvormig persoon, iemand met meer visceraal vet (‘buikvet’, het vet rond je organen) zal namelijk meer aanleg hebben voor hart- en vaatziekten en diabetes type 2 dan iemand met een ‘peervormig’ lichaam. Meet eens je taille.

Voor vrouwen geldt dat als haar taille-omtrek lager is dan 80 cm, er geen verhoogd risico is. Bij een taille-omtrek tussen 80 en 88 cm is er een verhoogd risico, hoger dan 88 cm een sterk verhoogd risico.

Voor mannen geldt: lager dan 94 cm: geen verhoogd risico, tussen 94 en 102 cm: verhoogd risico, hoger dan 102 cm: sterk verhoogd risico.

Ken jij je verhouding heup-taille?

Nog een andere maat om te weten of je moet afvallen of niet, is de taille-heupratio, de verhouding tussen beide omtrekken: de omvang van de taille gedeeld door de omvang van je heupen op hun wijdste punt. Mannen zijn te zwaar als die ratio boven 0,95 komt. Bij vrouwen ligt die grens op 0,85.

Tot slot: hoe voelt die jeans?

Toch raad ik aan om je niet té veel te meten en te wegen. Een goede maatstaf om te weten of je goed bezig bent is en blijft voor mij dat gevoel van hoe je jeansbroek of jurk zit. Lekker los of toch iets te strak? Vertrouw ook meer op de energie die gezonde voeding je geeft, op je strakkere lichaam die meer bewegen je geeft en verstop die weegschaal wat vaker!

;